Covid-19

COVID-19 presents significant challenges to people and business worldwide.

Governments implement relief programs, regulators in many countries are revising filing deadlines, changing or providing commentary on requirements for disclosures and reporting, modifying the timing and/or form of Annual General Meetings, changing other governance rules or regulatory processes (such as audit inspections).

Organisations need to respond quickly to address these and other significant challenges. To help you quickly identify changes with potential impacts to your business we want to inform you about the most important regulatory changes and announcements that may impact your business worldwide.

The Netherlands

Op woensdag 20 mei 2020 heeft het kabinet het noodpakket banen en economie uitgebreid en verlengd.

De volgende zaken zijn bijgewerkt of nieuw toegevoegd:

Belastingheffing formeel

Belastingheffing materieel

Sociale zekerheid

Financiële maatregelen voor ondernemers

Financiële maatregelen voor particulieren

Financieel ondernemers: update 7 mei 2020

1. Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) uitgebreid

Bijgewerkt op 28 april 2020, 13.00 uur

Borgstellingskrediet
Als een ondernemer te weinig onderpand heeft om geld te lenen kan via de financier gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB). De BMKB vergroot het onderpand en daarmee ook de financierbaarheid van de onderneming.

Met het borgstellingskrediet staat het ministerie van Economische Zaken en Klimaat voor een deel garant voor bedrijven die een lening willen afsluiten.

Coronamodule
Het kabinet heeft een tijdelijke faciliteit, voor de duur van één jaar, onder de BMKB opengesteld voor MKB-bedrijven die getroffen zijn door de uitbraak van het coronavirus.

Deze verruiming, die voor de brede doelgroep MKB-bedrijven kan worden ingezet, betekent dat de Staat een hoger garantieaandeel aanbiedt in de BMKB. In de huidige regeling betreft het borgstellingskrediet in de meeste gevallen 50% van het krediet dat de financier (vaak een bank) verstrekt. De borg van de overheid bedraagt 90% van dit borgstellingskrediet.

Voor deze maatregel is de omvang van het borgstellingskrediet in de BMKB verhoogd van 50% naar 75%. Deze maatregel kan benut worden door MKB-bedrijven en is bestemd voor overbruggingskrediet of verhoging rekeningcourantkrediet bij een financier, met een maximale looptijd van twee jaar. De financier is verplicht om, naast een kredietovereenkomst die onder de borgstelling wordt gebracht, tegelijkertijd met de MKB-ondernemer een kredietovereenkomst te sluiten, waar geen bedrijfsborgstelling voor geldt.

De hoofdregel is dat deze kredietovereenkomst minimaal 100% bedraagt van het krediet dat onder de borgstelling wordt gebracht. De verhouding is derhalve 1:1. Voor bepaalde categorieën MKB-ondernemers geldt een ander percentage. Voor starters is dit bijvoorbeeld 33,3 procent. Dit geldt ook voor MKB-ondernemers die geraakt zijn door de PFAS- en stikstofproblematiek.

Ook voor de MKB-ondernemingen die een liquiditeitsbehoefte hebben door de uitbraak van het coronavirus en een kortlopend krediet afsluiten voor de duur van maximaal vier jaar, is dit percentage vastgesteld op 33,3%. De verhouding wordt daarmee 1:3. Dit geldt voor leningen die voor de duur van de verruiming op grond van deze regeling worden verstrekt. Deze verruiming is voorzien voor de duur van één jaar. De verplichting aan de banken om een persoonlijke borgstelling te vragen voor het krediet is verlaagd van 25% naar 10%. Daarnaast wordt niet de eis gesteld dat er een tekort is aan zekerheden. Onder het reguliere regime is de looptijd van het bedrijfsborgstellingskrediet maximaal zes jaar. Voor het nieuwe bedrijfsborgstellingskrediet wegens de coronacrisis is de duur maximaal vier jaar.

De eenmalige provisie is verlaagd van 3,9% naar 2% voor een kredieten met een looptijd van maximaal twee jaar en van 4,25% naar 3% voor kredieten met een looptijd van maximaal vier jaar.

Financiers hebben ook meer vrijheid in het maken van een afspraken over het aflossingsregime. 

Accreditatie non-bancaire financiers
Ook non-bancaire financiers kunnen zich accrediteren om hun bestaande klanten te financieren onder de coronamodule van de BMKB. Voor de coronamodule is een verkort schriftelijk accreditatieproces ingericht. Als non-bancaire financiers een keurmerk van Stichting MKB-Financiering hebben, kan dat de accreditatie vereenvoudigen.

Bron: brief kabinet noodpakket banen en economie 17-3-2020, nr. CE-AEP/20077147; Stcrt. 2020, 17289; brief minister van EZK tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren en aanvullende maatregelen op het gebied van financiering voor bedrijven 7-4-2020, nr. DGBI/20094755; Stcrt. 2020, 24157; Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

2. Borgstelling MKB-landbouwkredieten (BL) uitgebreid

Bijgewerkt op 14 april 2020, 16.45 uur

Landbouw
De MKB-landbouwbedrijven die worden geraakt door de gevolgen van de uitbraak van het coronavirus en daardoor in liquiditeitsproblemen komen, kunnen tijdelijk rekenen op een verruiming van de regeling Borgstelling Landbouwkredieten (BL). Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit staat borg en banken kunnen hiermee enkele tientallen miljoenen werkkapitaal verstrekken. Vanaf 18 maart 2020 kunnen bedrijven gebruikmaken van deze extra module (BL-C), die voor de duur van een jaar is opengesteld.

Coronamodule
Deze verruiming betekent dat de Staat een hoger garantieaandeel aanbiedt. In de huidige regeling betreft het landbouwborgstellingskrediet in de meeste gevallen 66,6% van het krediet dat de financier (vaak een bank) verstrekt. De borg van de overheid bedraagt 70% van dit reguliere landbouwborgstellingskrediet. Er zijn daarbij wel een paar aparte voorzieningen voor starters en overnemers en landbouwinnovatie (BL plus) en het vermogensversterkend krediet. De tijdelijke verruiming is echter gericht op de reguliere landbouwborgstellingskredieten en houdt in dat de Staat voor 70% borg staat voor het gehele kredietbedrag dat door de financier wordt verstrekt. Dit is een verhoging van 50%.

Deze tijdelijke verruiming kan benut worden door MKB-landbouwbedrijven om bij een financier een overbruggingskrediet of verhoging rekeningcourantkrediet met een maximale looptijd van twee jaar te verkrijgen bij een financier. Ook een aantal overige voorwaarden is versoepeld. Dit helpt deze landbouwbedrijven om aan hun dagelijkse betaalverplichtingen te kunnen blijven voldoen.

Normaliter dient tegelijkertijd met een landbouwborgstellingskrediet een financieringsfaciliteit te worden verstrekt door de financier waarvoor de Staat niet borg of garant staat. Deze eis vervalt, wat als effect heeft dat de Staat voor deze vorm van financiering borg staat voor 70% van het kredietbedrag. Verder is rekening gehouden met de omstandigheid dat een MKB-landbouwondernemer mogelijk door al lopende landbouwborgstellingskredieten nu geen of minder landbouwborgstellingskrediet voor de hiervoor genoemde kortlopende kredieten voor liquiditeit of werkkapitaal zou kunnen krijgen. De aangepaste regeling voorziet in een verruiming van de toegestane cumulatie van reeds verstrekte landbouwborgstellingskredieten met maximaal € 300.000. Die verruiming heeft uitsluitend betrekking op landbouwborgstellingskredieten voor die kortlopende kredieten.

De verplichting aan de banken om een persoonlijke borgstelling te vragen voor het krediet is verlaagd van 25% naar 10%. Daarnaast wordt niet de eis gesteld dat er een tekort is aan zekerheden. Onder het reguliere regime is de looptijd van het bedrijfsborgstellingskrediet maximaal zes jaar. Voor het nieuwe landbouwborgstellingskrediet wegens de coronacrisis is de duur maximaal twee jaar.

De provisie is verlaagd van 3% naar 1,5%. Voor een starter of overnemer is de provisie verlaagd van 1% naar 0,5%.

Financiers hebben ook meer vrijheid in het maken van een afspraken over het aflossingsregime. 

Visserij en aquacultuur
De tijdelijke verruiming van de BL met de BL-C staat vanaf 18 maart 2020 ook open voor de visserij- en aquacultuursector. Deze tijdelijke verruiming naar de visserij- en aquacultuursector komt per 1 april 2021 weer te vervallen.

Bron: brief kabinet noodpakket banen en economie 17-3-2020, nr. CE-AEP/20077147; Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO); Stcrt. 2020, 17287; Stcrt. 2020, 21471

3. Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) verruimd en uitgebreid met GO-C

Bijgewerkt op 28 april 2020, 14.30 uur

Staatsgarantie
De subsidiemodules Garantie ondernemingsfinanciering en Garantstelling gericht op bankgaranties (hierna samen aangeduid als de GO) beoogt de toegang tot bankkrediet voor het Nederlandse bedrijfsleven te verbeteren. Op grond van de GO kunnen banken een garantstelling van de Nederlandse staat verkrijgen voor kredieten die zij verstrekken aan ondernemers.

De GO geldt zowel voor MKB-bedrijven als niet MKB-bedrijven. Ook bevat de GO een faciliteit voor bankgaranties die ervoor zorgt dat de Nederlandse Staat garant kan staan voor door banken af te geven garanties voor de nakoming van contractuele verplichtingen van de desbetreffende onderneming. Voor de garantstelling wordt een kostendekkende premie geheven.

Verruiming GO
Vanwege de effecten van de coronacrisis is de GO verruimd. Door de coronacrisis worden ondernemingen uit diverse sectoren getroffen, doordat bijvoorbeeld goederen niet uitgeleverd kunnen worden of productielijnen stilvallen door een gebrek aan onderdelen. Hierdoor kunnen liquiditeitsproblemen ontstaan, bij in principe economisch gezonde ondernemingen. Mogelijk zal een financier zelfstandig aan de tijdelijke extra financieringsvraag van zo’n onderneming kunnen en willen voldoen.

De hoogte van de lening waarvoor garant wordt gestaan, is verhoogd van € 50 miljoen naar € 150 miljoen. Dit bedrag geldt inclusief een eventuele lening onder de hierna vermelde GO-C. Het garantiepercentage is 50%.

De verruiming van de GO geldt vanaf 28 maart 2020.

Coronamodule (GO-C)
Aan de GO is een tijdelijke coronamodule voor garantie op bankleningen toegevoegd: de Garantie ondernemingsfinanciering uitbraak coronavirus (GO-C). Met de GO-C staat de overheid voor een deel garant voor leningen verstrekt door banken aan bedrijven.

Bedrijven die worden geraakt door coronacrisis en daardoor in liquiditeitsproblemen komen, kunnen tijdelijk gebruik maken van de financieringsmogelijkheden die deze garantiestelling geeft. Anders dan op grond van de bestaande GO-modules kunnen ook garantstellingen worden verstrekt voor leningen aan bedrijven in de landbouw, visserij en aquacultuur.

De belangrijkste kenmerken van de GO-C zijn:

  • Leningen en garanties verstrekt met toepassing van de GO-C hebben een looptijd van maximaal zes jaar en bedragen minimaal € 1,5 miljoen.
  • Leningen zijn bestemd om te voorzien in de liquiditeitsbehoefte voor werkkapitaal of investeringskosten van de ondernemer, die is ontstaan door de uitbraak van het coronavirus.
  • Alleen niet achtergestelde kunnen onder de garantstelling worden gebracht.
  • De marktconforme rente moet een variabel deel kennen, gekoppeld aan de Euribor.
  • De maximale hoogte van de lening wordt bepaald op basis van loonsom (2x), omzet (25%) of liquiditeitsplanning, naast dat het maximum van € 150 miljoen geldt.
  • De garantie is verhoogd van 50% naar maximaal 90% van de lening als deze is verstrekt aan een MKB-onderneming en 80% als deze is verstrekt aan een grote onderneming.
  • Alleen leningen aan ondernemingen die op 31 december 2019 niet al in moeilijkheden waren, komen in aanmerking.
  • Er moet per kwartaal worden afgelost, waarbij de eerste aflossing uiterlijk na 18 maanden (MKB-onderneming) of 12 maanden (grote onderneming) na verstrekking moet plaatsvinden.
  • Het moet in beginsel gaan om nieuwe leningen, maar de GO-C is ook toepasbaar op kredieten die vanaf 24 maart 2020 tot 30 april 2020 zijn verstrekt.
  • De afsluitprovisie bedraagt maximaal 1% van de lening. De bank draagt een deel van de rentemarge als garantieprovisie af aan de staat. De onderneming betaalt geen garantieprovisie bovenop de rente die wordt betaald aan de bank.

De GO-C vervalt op 1 januari 2021, maar blijft van toepassing op voor die datum verstrekte subsidies. Aanvragen kunnen tot en met 15 december 2020 bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) worden ingediend, of als dat eerder is, totdat het subsidieplafond is bereikt. 
Subsidieplafond
Het subsidieplafond is verhoogd naar € 10 miljard waardoor kan worden tegemoetgekomen worden aan de toenemende vraag van (potentiële) gebruikers van de GO en de GO-C.

Verlenging
Het kabinet heeft de Tweede Kamer verzocht in te stemmen met verlenging van de GO tot 1 april 2021.

Bron: brief kabinet noodpakket banen en economie 17-3-2020, nr. CE-AEP/20077147; Stcrt. 2019, 18697; brief minister van EZK Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren en aanvullende maatregelen op het gebied van financiering voor bedrijven 7-4-2020, nr. DGBI/20094755; brief staatssecretaris van EZK verlenging van de GO-regeling 20-4-2020, nr. DGBI-O/20098044; Stcrt. 2020, 23929; Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

4. Qredits verlaagt rente naar 2% en verleend uitstel van aflossing

Bijgewerkt op 26 maart 2020, 21.50 uur

Qredits is de op Nederlandse markt uniek als verstrekker van microkredieten en heeft als stichting een ideëel doel en een aanpak die wezenlijk anders is dan reguliere banken, zoals bijzondere persoonlijke aandacht voor de ondernemers en de ontwikkeling van het business plan. Dit type ondernemingen kenmerkt zich veelal door een gebrek aan financiële reserves.

Het kabinet ondersteunt Qredits financieel met een aanvullend bedrag van maximaal € 6 miljoen. Daardoor berekent Qredits gedurende maximaal zes maanden een lagere rente van 2% en verleent Qredits uitstel van aflossingsverplichtingen.

Bron: brief kabinet noodpakket banen en economie 17-3-2020, nr. CE-AEP/20077147; Qredits

5. Herverzekering leverancierskrediet

Bijgewerkt op 14 april 2020, 22.30 uur

Veel MKB-bedrijven – zoals winkels en horecazaken – worden bevoorraad op basis van leverancierskrediet. Bedrijven hebben dan 30 of 60 dagen om hun producten aan de leverancier te betalen. Een leverancier sluit een verzekering bij een kredietverzekeraar af tegen het risico dat zijn factuur onverhoopt niet betaald wordt.

Door de coronacrisis worden verzekeraars geconfronteerd met toenemende betalingsrisico’s. Zij voelen zich gedwongen de toegekende verzekeringslimieten op bedrijven te verlagen of in te intrekken. Dit zou 75.000 bedrijven kunnen treffen.

Herverzekering
Om dat te voorkomen, grijpt de overheid in en gaat de overeenkomsten van de leveranties herverzekeren, tot een bedrag van in totaal € 12 miljard. Hiermee blijft er vertrouwen in de verschaffing van leverancierskrediet en worden bedrijven bevoorraad.

Er komt een herverzekering met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2020 voor geheel 2020 die snel in werking moet treden waardoor kredietverleners niet genoodzaakt zijn op korte termijn hun limieten naar nihil te verlagen.

Alle in Nederland actieve kredietverzekeraars die onder toezicht staan komen in aanmerking voor een overeenkomst. De gehele portefeuille van de verzekeraars wordt herverzekerd, zowel de goede als de slechte risico’s. Onderdeel van de overeenkomst is dat er niets veranderd wordt aan de lopende verzekeringsovereenkomsten. Voor nieuwe polissen gaan waarschijnlijk iets minder gunstige (herverzekerings)voorwaarden gelden, omdat de risico’s inmiddels zijn verslechterd, maar ook die voorwaarden zijn gelijk voor alle verzekeraars.

De verzekeraars hebben geen directe voordelen van de herverzekering door de staat. Voor het herverzekeren ontvangt de staat alle premies die normaal gesproken aan de verzekeraars ten deel zouden vallen. De verzekeraars ontvangen alleen een kostendekkende vergoeding voor de uitvoeringskosten en de administratieve kosten voor het afsluiten van de (onderliggende) verzekeringen. 

De garantie die hiervoor nodig is zal naar huidige inschatting circa € 12 miljard zijn. De te verwachten schade voor de staat bedraagt op basis van een eerste grove raming ongeveer € 1 miljard. Bij deze schatting is ingecalculeerd dat de premies naar de staat gaan.

Formele uitwerking
De maatregel moet nog in detail worden uitgewerkt. Ook de Europese Commissie moet toestemming geven.

Bron: brief minister van EZK Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren en aanvullende maatregelen op het gebied van financiering voor bedrijven 7-4-2020, nr. DGBI/20094755; brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst beantwoording vragen van de vaste commissie voor Financiën over de incidentele suppletoire begroting inzake de COVID-19 crisismaatregel herverzekering leverancierskredieten 10-4-2020, ongenummerd

6. Overbruggingskrediet startups, scale-ups en non-bancair gefinancierd MKB

Bijgewerkt op 27 april 2020, 12.45 uur

Een brede groep bedrijven wordt met eigen vermogen of risicodragend vermogen gefinancierd. Dat zijn onder andere startups en scale-ups, waarbij de verwachting is dat naast de behoefte aan overbruggingskrediet ook eigen vermogen een rol zal spelen.

Daarnaast er is ook veel non-bancair gefinancierd MKB dat zich gefinancierd heeft door bijvoorbeeld ingehouden winst. Deze bedrijven hebben doorgaans wel een gezonde balans, maar hebben geen bankrelatie en kunnen door de coronacrisis moeilijk overbruggingskrediet van een bank krijgen.

Corona-Overbruggingslening (COL)
De Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) verstrekken op verzoek van het kabinet speciale overbruggingskredieten. Vanaf 29 april 2020 kunnen groeibedrijven een aanvraag indienen voor een zogenoemde Corona-Overbruggingslening (COL). Het kabinet stelt hiervoor als eerste tranche € 100 miljoen ter beschikking.

De leningen die de ROM’s gaan verstrekken variëren tussen de € 50.000 en € 2 miljoen. Bij bedragen boven € 250.000 wordt er 25% cofinanciering verwacht van de aandeelhouders of andere investeerders. Er geldt een uniform rentetarief van 3%.

Aanvraag
De ROM’s streven ernaar de beoordelingen van aanvragen tot € 500.000 binnen vier tot negen werkdagen af te handelen. Voor aanvragen boven € 500.000 is het streven om binnen drie werkweken tot een definitief besluit te komen. Meer informatie is te vinden op de speciale website www.rom-nederland.nl/corona-overbruggingslening.

Via de vereiste cofinanciering bij de grotere overbruggingskredieten vanuit onder andere de bestaande ROM-fondsen (waarvan de verschillende provincies ofwel meerderheidsaandeelhouder dan wel enig aandeelhouder zijn) is al sprake van provinciale cofinanciering. Er is intensief contact met de provincies over hoe de financiële slagkracht vergroot kan worden.

Bron: brief minister van EZK Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren en aanvullende maatregelen op het gebied van financiering voor bedrijven 7-4-2020, nr. DGBI/20094755; nieuwsbericht 7-4-2020 Interprovinciaal Overleg (IPO); nieuwsbericht ministerie van EZK 25-4-2020 

7. Klein Krediet Corona garantieregeling (KKC)

Bijgewerkt op 8 mei 2020, 08.00 uur

Het kabinet heeft een breed pakket aan regelingen opgesteld om ondernemers te ondersteunen tijdens de coronacrisis (zie de hierboven opgenomen onderdelen in dit deel van het Dossier Corona).

Toch willen kabinet en de banken de toegang tot liquiditeit voor het kleinere MKB verder vergemakkelijken. De kans is groot dat het kleinere MKB-bedrijf door de coronacrisis extra liquiditeit nodig heeft, maar hiervoor tot dusver niet bij een financier terecht kon. Deze kleine ondernemingen waren daarmee extra kwetsbaar. Daarom introduceert het kabinet met de banken een aanvullend instrument: de Klein Krediet Corona garantieregeling (KKC).

Klein Krediet Corona garantieregeling (KKC)

Kleine ondernemer
De KKC is specifiek bedoeld voor kleine ondernemers met een omzet vanaf € 50.000 die voor de coronacrisis voldoende winstgevend waren en die zijn ingeschreven in het handelsregister sinds 1 januari 2019. 

Lening met staatsgarantie
De KKC staat open voor kredietaanvragen van € 10.000 tot € 50.000. De overheid staat voor 95% garant voor de lening. Door dit hoge garantiepercentage kan een groot aantal ondernemers geholpen worden en kan het kredietbeoordelingsproces grotendeels geautomatiseerd plaatsvinden. 

Kredietbeoordeling
Wel blijft een goede toetsing van kredietaanvragen van belang. Dit is traditioneel de expertise van financiers in de markt (bancair en non-bancair). Het gegeven dat financiers een bescheiden risico lopen zorgt ervoor dat zij een financiële prikkel hebben om een goede risicobeoordeling te doen. De risico’s voor de rijksbegroting worden daardoor zo goed mogelijk beperkt. Ook wordt bij de risicobeoordeling zoveel mogelijk gewaarborgd dat alleen kredieten verstrekt worden aan in de kern gezonde bedrijven met terugbetaalcapaciteit. 

Het is ook in deze bijzondere situatie van belang dat banken ondernemers met gepaste zorgvuldigheid behandelen. De banken hebben onder meer aangegeven zich te houden aan de Gedragscode Kleinzakelijke kredietverlening.

Banken en andere geaccrediteerde financiers
De banken gaan de leningen met KKC-garantie aanbieden. Andere financiers die geaccrediteerd zijn voor de BMKB-C (zie hiervoor in dit deel van het Dossier Corona), mogen de regeling ook aanbieden. Overige financiers kunnen zich daarvoor bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) laten accrediteren. 

Looptijd, rente en eenmalige premie
De maximale looptijd van de lening is vijf jaar. De rente die de financiers jaarlijks aan de ondernemers mogen doorrekenen is maximaal 4% van het uitstaande kredietbedrag. Daarnaast betalen ondernemers aan de staat een eenmalige premie van 2% als vergoeding. 

Rijksbegroting
Het kabinet verwacht dat met deze KKC-faciliteit in totaal € 750 miljoen aan krediet kan worden verstrekt. Het heeft daarom € 713 miljoen als garantiebudget ter beschikking gesteld. 

Staatssteun en inwerkingtreding
De Europese Commissie moet de regeling nog goedkeuren. De daadwerkelijke inwerkingtreding en de vormgeving van de regeling zijn afhankelijk van de goedkeuring van de Europese Commissie. Het streven is de KKC uiterlijk half mei 2020 in bedrijf te hebben. 

In ieder geval Rabobank, ABN AMRO, ING, de Volksbank en Triodos hebben toegezegd leningen met KKC-garantie aan te bieden.

Bron: brief minister van EZK Klein Krediet Corona (KKC) garantieregeling 7-5-2020, nr. DGBI/20135074; nieuwsbericht Nederlandse Vereniging van Banken 7-5-2020

8. Verruiming exportkredietverzekering

Bijgewerkt op 8 april 2020, 11.45 uur

Door de coronacrisis wordt ook de internationale handel flink geraakt. Om de internationale handel zoveel mogelijk op gang te houden verruimt de Nederlandse Staat vanaf 25 maart 2020 de mogelijkheden voor exportkredietverzekeringen. De maatregelen helpen voorkomen dat bedrijven grotere betalingsrisico’s ondervinden, in extra liquiditeitsproblemen komen of internationale projecten noodgedwongen moeten stilleggen.

Exportkredietverlening
De nieuwe maatregelen voor verruiming van exportkredieten komen er kortgezegd op neer dat ook kortlopende exportkredietverzekeringen worden gedekt (eerder alleen langer dan twee jaar, nu ook korter dan twee jaar).

Daarnaast zijn de mogelijkheden voor binnenlandse dekking verruimd, is het landenbeleid flexibeler en is voor meer landen dekking te verkrijgen.

Ook zijn procedures verruimd, doorlooptijden versneld en wordt een hoger percentage werkkapitaal gedekt.

Door het maatregelenpakket kunnen door bedrijven meer risico’s worden afgedekt dankzij de staatsgaranties. Zo blijft de internationale handel beter op gang en kan verlies van export en banen worden voorkomen. Dit in aanvulling op het noodpakket banen en economie dat het kabinet heeft gepresenteerd.

Actieplan internationale samenwerking
Naast verruiming van de exportkredietverlening hebben overheid en bedrijfsleven afgesproken om in Europees verband te werken aan onder meer het tegengaan van protectionisme (zoals bij de handel in medische goederen), een soepeler grensoverschrijdend vervoer van essentiële goederen binnen de Europese Unie (EU), soepel verkeer van arbeidsmigranten, het maximaal benutten van de financiële middelen die er beschikbaar komen (onder andere vanuit de EU, de EBRD, de Wereldbank en het IMF) en het zoveel mogelijk open houden van internationale vervoersstromen.

Alle maatregelen moeten ook een plek krijgen in een nieuw actieplan dat nog wordt uitgewerkt en waarbij ook vooruit gekeken wordt naar de fase na de acute corona-crisis.

Bron: nieuwsbericht ministerie van Buitenlandse Zaken 26-303-2020; brief minister van EZK Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren en aanvullende maatregelen op het gebied van financiering voor bedrijven 7-4-2020, nr. DGBI/20094755; nieuwsbericht Atradius Dutch State Business  

9. Banken geven uitstel voor zakelijke financieringen

Bijgewerkt op 1 mei 2020, 14.50 uur

Banken bieden ondernemingen in alle sectoren die in de kern gezond zijn, zes maanden uitstel van aflossing op hun lopende leningen. Het gaat om zakelijke financieringen tot € 50 miljoen. Het gaat hierbij om een minimumregeling waarop banken aanvullend maatwerk kunnen leveren voor zakelijke klanten.

Hiertoe hebben enkele grote banken zoals ABN AMRO, ING, Rabobank en Triodos Bank besloten.

Overigens hebben enkele grote banken aangekondigd voorlopig geen dividend uit te keren aan hun aandeelhouders. Dat geldt ook als banken geen aandeelhouders hebben, maar gefinancierd zijn met certificaten. Rente op certificaten wordt voorlopig niet uitbetaald. 

Bron: persbericht Nederlandse Vereniging van Banken; nieuwsbericht 30 maart 2020 op Banken.nl

10. Uitstel van betaling Vroege Fase Financiering (VFF) en Innovatiekrediet (IK)

Bijgewerkt op 8 april 2020, 11.35 uur

De overheid verstrekt via de Vroege Fase Financiering (VFF) en het Innovatiekrediet (IK) leningen aan innovatieve en startende ondernemers. Door de coronacrisis zijn de voorwaarden van de betalingsverplichtingen versoepeld.

Vroege Fase Financiering (VFF)
Een ondernemer die gebruikt maakt van de VFF kan voor zes maanden uitstel aanvragen van aflossing van de lening en opschorting van aanhangende rente. 
Dit uitstel gaat in per 1 april 2020 en schuift door naar 1 oktober 2020. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) stuurt de ondernemer een brief met uitleg over de wijze van aanvragen van het uitstel.

Innovatiekrediet (IK)
Een ondernemer die gebruikt maakt van het IK, krijgt zes maanden uitstel van rentebetalingen en aflossingen. Dit uitstel gaat in per 1 april 2020 en duurt tot en met 30 september 2020. De rente die geldt voor het IK wordt tijdens deze zes maanden opgeteld bij het uitstaande saldo. Het aflossingsschema dat per 1 april 2020 geldt, schuift door naar 1 oktober 2020.

Een ondernemer hoeft dan niet op 1 oktober 2020 in één keer de uitgestelde rente- en aflossingstermijnen te betalen. Deze termijnen betaalt hij later door de verlenging van het aflossingsschema.

Een ondernemer is niet verplicht hiervan gebruik te maken.

Staan er voor een ondernemer in de periode van 1 april 2020 tot en met 30 september 2020 rente- en aflossingsbetalingen gepland, dan stuurt de RVO een brief met uitleg.

Bron: brief minister van EZK Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren en aanvullende maatregelen op het gebied van financiering voor bedrijven 7-4-2020, nr. DGBI/20094755; Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW).

1 april 2020

Werkgevers die te maken hebben met ten minste 20% acuut verwacht omzetverlies over een aaneengesloten periode van drie kalendermaanden, kunnen – gerelateerd aan het omzetverlies – bij het UWV voor een periode van drie maanden een subsidie aanvragen. De Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW) voorziet in die subsidie. De subsidie bestaat uit een tegemoetkoming in de loonkosten ter hoogte van maximaal 90% van de loonsom. Werkgevers betalen het loon aan betrokken werknemers 100% door.

Werkgevers hoeven daarbij niet aan te tonen waardoor de omzetdaling is veroorzaakt. Dat kan overigens ook een andere bijzondere omstandigheid zijn dan de uitbraak van het coronavirus. Zo valt bijvoorbeeld een omzetdaling door brand in het bedrijf ook onder de NOW.

Geen ontslag

Uitgangspunt is dat door de NOW zoveel mogelijk werkgelegenheidsverlies wordt voorkomen. Van de werkgever wordt dan ook verwacht dat hij in de periode van 18 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 bij het UWV geen verzoek doet om toestemming te verkrijgen voor opzegging van een arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen. Deze voorwaarde geldt niet voor ontslagaanvragen die bij het UWV zijn ingediend in de periode van 1 maart 2020 tot en met 17 maart 2020. Doet de werkgever toch een ontslagaanvraag, dan heeft hij vijf dagen de tijd om deze weer in trekken om een vermindering van de hoogte van de NOW-subsidie te voorkomen.

Loonkosten van werknemers

De subsidie is een tegemoetkoming voor de loonkosten van de werknemers die in dienst zijn bij een werkgever en die verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. Werkenden met een zogenoemde fictieve dienstbetrekking vallen ook onder de NOW.

Ook NOW: flexwerker, nulurencontract, uitzendkracht, payroll

De NOW geldt ook voor werkgevers die werknemers in dienst hebben met een flexibel contract. Werkgevers kunnen NOW-subsidie ontvangen voor deze werknemers, voor zover zij in dienst blijven en loon ontvangen van de werkgever gedurende de periode waarover de subsidie wordt verstrekt. De NOW is uitdrukkelijk ook van toepassing op de loonkosten voor werknemers waarvoor de werkgever geen loondoorbetalingsplicht heeft, zoals werknemer met een nulurencontract. Voor payroll- en uitzendwerkgevers gelden dezelfde voorwaarden als voor reguliere werkgevers. Ook zij kunnen via de NOW een tegemoetkoming aanvragen en worden gecompenseerd voor de loonkosten van werknemers die zij in dienst houden.

Geen NOW: directeur/grootaandeelhouder (dga)

De niet-verzekerde directeur-grootaandeelhouders (dga) valt niet onder de NOW. Ook niet als de dga vrijwillig verzekerde is.

Hoogte NOW-subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 90% van de loonsom over de driemaandsperiode 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020. In formulevorm:

NOW = omzetdaling% x loonsom per maand x 3 x 130% x 90%

Loonsom

Onder loonsom wordt verstaan het totale loon sociale verzekering uit tegenwoordige dienstbetrekking. Als loon wordt maximaal twee keer het maximumdagloon per maand per individuele werknemer in aanmerking genomen. Loon boven € 9538 per maand komt derhalve niet voor subsidie in aanmerking.

Gegevens over de loonsom baseert het UWV op de ingediende loonaangiften, waarbij als uitgangspunt de maand januari 2020 wordt genomen. Zijn er nog geen aangiftegegevens over januari 2020 beschikbaar, dan neemt het UWV de loonaangifte over november 2019. Voor werkgevers met een aangiftetijdvak van vier weken wordt de aangifte verhoogd met 8,33% (13/12). Voor andere loontijdvakken geldt een herleiding naar een maandbedrag. Als geen gegevens bekend zijn over zowel januari 2020 als november 2019 bestaat geen recht op de subsidie. Correcties op de ingediende loonaangiften na 15 maart 2020 neemt het UWV niet mee.

Het aldus bepaalde bedrag van de loonsom per maand wordt vermenigvuldigd met drie en geeft dan de loonsom over de driemaandsperiode.

Opslag werkgeverslasten

Ook aanvullende lasten en kosten zoals werkgeverspremies en werknemersbijdragen aan pensioen en de opbouw van vakantiebijslag worden gecompenseerd. Dit gebeurt via een forfaitaire opslag voor werkgeverslasten van 30% over de driemaandsperiode.

Naar rato omzetdaling

De subsidie wordt gerelateerd aan het percentage van de omzetdaling. Het percentage van 90% van de totale loonsom is een maximumpercentage dat zal worden uitbetaald bij een omzetdaling van 100%. Is de omzetdaling lager, dan zal de subsidie evenredig lager worden vastgesteld (100% omzetdaling is 90% subsidie; 50% omzetdaling is 45% subsidie).

Meetperiode omzetdaling

De omzetdaling van minimaal 20% moet zich voordoen over een driemaandsperiode waarvan de startdatum valt op 1 maart, 1 april of 1 mei 2020. De omzet in deze meetperiode wordt vergeleken met de omzet van januari tot en met december 2019, gedeeld door vier (afronden op een heel percentage naar boven). Als een werkgever op 1 januari 2019 nog niet bestond, moet de omzet vanaf de startdatum tot 1 maart 2020 worden omgerekend naar een kwartaalbedrag.

Met een meetperiode van drie maanden voor de omzetdaling wordt voorkomen dat een vrij beperkte en kortdurende daling van de omzet al in aanmerking komt voor een NOW-subsidie. Het kan desondanks voorkomen dat de gebruikte tijdvakken voor 2019 niet representatief zijn, bijvoorbeeld door groei van de onderneming of seizoenspatronen, maar gelet op de uitvoerbaarheid van de regeling is een correctie daarvoor niet mogelijk.

Omzetdaling per concern

Voor werkgevers die bestaan uit één rechtspersoon of natuurlijk persoon gaat het om de omzetdaling op het niveau van de natuurlijke persoon of rechtspersoon. Als sprake is van een samenstelling van rechtspersonen geldt de omzetdaling op concernniveau.

Ook buitenlandse rechtspersonen en vennootschappen met loon in Nederland tellen mee. Heeft een concern als geheel minder dan 20% omzetverlies, dan krijgen de afzonderlijke stilliggende onderdelen van dat concern geen tegemoetkoming.

Begrip omzet

De NOW-regeling verstaat onder omzet de netto-omzet, zoals deze in de jaarrekening van een rechtspersoon (zoals een NV, BV, stichting) of in de winstaangifte voor de inkomstenbelasting wordt berekend. Ook omzet die gewoonlijk met een andere term uit de normale uitvoering van de activiteiten van de werkgever wordt gerealiseerd, valt onder het begrip omzet. Denk aan termen als baten, uitkeringen, subsidies, renteopbrengsten, bijdragen van overheidsinstellingen, giften of declaraties. Ook de correctie onderhanden werk is omzet.

Aanvraag voorschot 80%

De werkgever kan eenmaal per loonheffingennummer een subsidieaanvraag bij het UWV indienen. De aanvraag kan alleen elektronisch worden ingediend, tot en met 31 mei 2020, via de website van het UWV (www.uwv.nl). Bij de aanvraag dient de werkgever, naast het opgeven van gegevens als bedrijfsnaam en loonheffingennummer, de volgende stappen te doorlopen:

• de werkgever vraagt subsidie aan voor de loonsom in maart, april en mei 2020 wegens een terugval in omzet van meer dan 20%.

• als de werkgever verwacht dat het effect van de crisis of calamiteit pas met vertraging in de omzetcijfers zichtbaar wordt, kan hij aangeven dat hij de meetperiode voor de omzetvergelijking niet op 1 maart, maar op 1 april of 1 mei wil laten aanvangen. De loonsom blijft ook in deze gevallen de loonsom van maart, april en mei 2020.

• de werkgever noteert de verwachte omzet in de drie maanden van de gekozen meetperiode en vergelijkt deze met de totale omzet in 2019, gedeeld door vier, zodat beide cijfers zien op een omzet over drie maanden.

• op basis daarvan berekent de werkgever het omzetverlies in procenten. Dat percentage wordt op het aanvraagformulier ingevuld.

Sommige werkgevers hebben meerdere loonheffingennummers. Als deze werkgever voor zijn gehele loonsom in aanmerking wil komen voor subsidie, moet de werkgever per loonheffingennummer een aanvraag indienen. De werkgever dient wel de omzetdaling op te geven die hij voor de gehele onderneming verwacht; hij vult dus bij elke aanvraag dezelfde omzetdaling en dezelfde meetperiode in.

Het bankrekeningnummer dat bij de aanvraag wordt opgegeven moet corresponderen met het in bij de Belastingdienst aan het loonheffingennummer gekoppelde bankrekeningnummer.

Uitbetaling voorschot

Voor het UWV geldt een beslistermijn van 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag. Nadat positief op de aanvraag is beslist, zal het UWV een voorschot verlenen van 80% van de berekende NOW-subsidie. De betaling van het voorschot vindt plaats in drie termijnen. In de praktijk wordt ernaar gestreefd de betaling van de eerste termijn van het voorschot te laten plaatsvinden binnen 2 tot 4 weken.

Achteraf formele vaststelling

NOW-subsidie

Binnen 24 weken na afloop van de driemaandsperiode waarin de omzetdaling is opgetreden, dient de werkgever een formele vaststelling van de subsidie aan te vragen. Ook dit moet elektronisch via de website van het UWV. De werkgever weet dan de werkelijke omzetdaling en het UWV kan de werkelijke loonsom per maand vaststellen, zodat de definitieve afrekening kan worden opgemaakt.

Werkelijke omzetdaling en accountantsverklaring

Bij de definitieve afrekening kan de meetperiode van de omzetdaling, die de werkgever bij de aanvraag van het voorschot heeft gekozen, niet meer worden aangepast. In beginsel moet de werkgever bij de werkelijke omzetdaling een accountantsverklaring voegen.

Maar er wordt nog een grens bekend gemaakt waaronder een accountantsverklaring achterwege kan blijven en – als een accountantsverklaring wel vereist is – wat voor soort accountantsverklaring dat is. Zo is het mogelijk om bijvoorbeeld voor kleine subsidiebedragen of voor ondernemingen met een hele kleine loonsom, geen accountantsverklaring te eisen, als op een andere wijze het omzetverlies voldoende aannemelijk is gemaakt of op andere wijze de controle heeft plaatsgevonden.

Werkelijke loonsom en correcties

Het UWV bepaalt bij de formele vaststelling van de subsidie opnieuw de loonsom per maand, met de methode zoals die is toegepast bij de aanvraag van het voorschot. Op die loonsom worden de volgende correcties toegepast:

• uitkeringen die het UWV via de werkgever heeft uitbetaald (werkgeversbetalingen, zoals voor de Wet arbeid en zorg) en die in de loonsom zijn begrepen worden van de loonsom afgetrokken

• van de loonsom wordt afgetrokken 150% van het loon van de werknemer voor wie de werkgever toch ontslag heeft aangevraagd en dat verzoek niet op tijd weer heeft ingetrokken

• uitbetaling vakantiebijslag wordt niet meegenomen in de vaststelling van de loonsom, tenzij de werkgever niet reserveert voor vakantiebijslag

• als de werkgever niet reserveert voor vakantiebijslag, wordt de loonsom vermenigvuldigd met de factor 0,926 (100/108)

• de maximering op € 9538 per werknemer per maand vindt plaats na toepassing van de voorgaande correcties.

Na toepassing van deze correcties resulteert de gecorrigeerde loonsom per maand. Als de werkelijke loonsom per maand over de periode 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 lager is dan deze gecorrigeerde loonsom (x 3), wordt de subsidie verlaagd met 90% van dat verschil x 130%. Bij verlies aan werkgelegenheid (blijkend uit het verlies aan loonsom) wordt de subsidie dus lager vastgesteld, bij gelijkblijvend percentage omzetverlies. Een hogere loonsom leidt niet tot een hogere vaststelling van de subsidie. Bij de vaststelling van de werkelijke loonsom neemt het UWV de gegevens uit de uiterlijk op 19 juli ingediende of gecorrigeerde loonaangiften. Voor zover van toepassing gelden weer de correcties, de aftopping op € 9538 en de herleiding naar een maand bij andere aangiftetijdvakken.

Beslistermijn

Binnen 22 weken na ontvangst van de formele subsidieaanvraag zal het UWV de definitieve subsidie vaststellen. Bij de afrekening kan, na verrekening van het voorschot, sprake zijn van een nabetaling of, als bijvoorbeeld het omzetverlies lager is uitgevallen, terugvordering.

Financiële gevolgen bij ontslag

Als een werkgever toch ontslag aanvraagt bij het UWV en die ontslagaanvraag niet binnen vijf werkdagen daarna weer intrekt, wordt bij de definitieve vaststelling van de subsidie een correctie doorgevoerd ter grootte van 150% van de loonsom van die ontslagen werknemer. Niet-naleving van de voorwaarde om geen ontslag aan te vragen heeft dus gevolgen voor de definitieve hoogte van de subsidie.

Administratie- en informatieplicht

De werkgever moet een zodanig controleerbare administratie beheren dat achteraf gecontroleerd kan worden of de subsidie terecht is verstrekt. De werkgever moet desgevraagd, tot vijf jaar na vaststelling van de subsidie, inzage verlenen in deze administratie. Ook heeft de werkgever de verplichting onmiddellijk melding te doen als duidelijk is dat hij niet langer aan de vereisten voor de NOW-subsidieverlening voldoet.

Verplichtingen werkgever

Een werkgever die NOW-subsidie toegekend heeft gekregen, moet zich aan de volgende verplichtingen en voorwaarden houden:

• de loonsom zoveel mogelijk gelijk houden

• na 18 maart 2020, gedurende het tijdvak van de NOW-subsidieverlening, geen verzoek om toestemming ontslag wegens bedrijfseconomische redenen indienen

• de NOW-subsidie uitsluitend aanwenden voor de betaling van de loonkosten

• de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de werknemers informeren over de subsidieverlening

• voldoen aan de administratie- en informatieplicht

• op de voorgeschreven wijze loonaangiften doen

• opgave van de definitieve omzetdaling, eventueel met accountantsverklaring

• als voor een werknemer loonkostensubsidie van de gemeente wordt ontvangen, aan de gemeente melden dat NOW-subsidie is verleend.

Opschorting/terugvordering

Het UWV mag de betaling van het NOW-voorschot opschorten, als sprake is van een ernstig vermoeden dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan en kan een reeds verleende subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen, als niet aan verplichtingen en voorwaarden is voldaan.

Wtv-regeling

De NOW is de opvolger van de ingetrokken beleidsregel werktijdverkorting (wtv-regeling). Met de NOW kunnen meer en sneller werkgevers financieel tegemoet worden gekomen dan binnen de ingetrokken wtv-regeling. Bovendien is het aanvraagproces door loskoppeling van de WW sterk vereenvoudigd, en worden geen WW-rechten van werknemers opgesoupeerd.

Voor 17 maart 2020, 18.45 uur ingediende wtv-aanvragen worden beschouwd als ingediende aanvragen voor de NOW; wel zal aanvullende informatie opgevraagd worden bij de indieners.

Startdatum uitvoering NOW

Het UWV streeft ernaar om de regeling vanaf 6 april 2020 uit te kunnen voeren. Omdat de definitieve zekerheid over de startdatum van de aanvraagperiode nog ontbreekt, is in de tekst van de regeling zekerheidshalve opgenomen dat de aanvraagperiode voor subsidie loopt van 14 april tot en met 31 mei 2020, of zoveel eerder als mogelijk is.

Mogelijk verlenging na mei 2020

De NOW voorziet in eerste instantie in een subsidieverlening voor de loonkosten van maart, april en mei 2020. De mogelijkheid om de regeling met drie maanden te verlengen wordt echter nadrukkelijk opengehouden. Daarover zal voor 1 juni 2020 besloten worden, zodat een eventuele tweede tranche aansluit op de eerste aanvraagperiode die op 31 mei 2020 eindigt.

Bron: brief kabinet noodpakket economie en banen 17-3-2020, nr. CE-AEP/20077147; Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, Stcrt. 2020, 19874; brief minister van SZW Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud 31-3-2020, nr. 2020-0000046793; Ministerie van SZW; UWV; Belastingdienst

3. Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (TOGS)

1 april 2020

Bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) is de regeling Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (TOGS) per 27 maart 2020 opengesteld. De TOGS (die eerder bekend werd gemaakt onder de noemer Noodloket) is een eenmalige belastingvrije gift van € 4000 aan ondernemingen die rechtstreeks zijn getroffen door overheidsmaatregelen rond de coronacrisis. Ook bepaalde culturele instellingen kunnen de TOGS aanvragen.

Gedupeerde onderneming

Door die overheidsmaatregelen zien ondernemingen en instellingen (hierna ondernemingen) hun omzet geheel of grotendeels verdwijnen. De gemiste omzet kan bovendien moeilijk worden ingehaald wanneer de coronacrisis achter de rug is. Voor deze gedupeerde ondernemingen geldt dat een groot deel van hun vaste lasten intussen gewoon doorlopen en hun uitgaven in veel gevallen al gedaan zijn.

Het gaat concreet om ondernemingen die:

• door overheidsingrijpen gedwongen hun deuren moeten sluiten;

• dicht moeten vanwege het verbod op het organiseren van bijeenkomsten en evenementen, ook met minder dan honderd personen; of

• direct getroffen zijn door het negatieve reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Op basis hiervan is gekomen tot een eerste afbakening van de doelgroep die in aanmerking komt voor de TOGS:

• eet- en drinkgelegenheden (restaurants, cafetaria’s, cafés en dergelijke)

• bioscopen

• haar- en schoonheidsverzorging (kappers, pedicures, visagisten en dergelijke)

• reisbemiddeling en reisorganisaties

• rijschoolhouders

• sauna’s, solaria, zwembaden, fitnesscentra, sportclubs en sportevenementen

• bepaalde private culturele instellingen zoals musea, circus, theaters, schouwburgen en muziekscholen

• bepaalde groepen ondernemers in de detailhandel, zoals winkeliers, benzinestations, tuincentra.

Het gaat hierbij om ondernemingen die zijn gevestigd buiten de woning. De enige uitzondering vormen eet- en drinkgelegenheden, bijvoorbeeld een café waar de eigenaar, huurder of pachter boven woont.

Zie voor een gedetailleerde lijst met Standaard Bedrijfsindeling (SBI-codes) de website van de RVO (www.rvo.nl/vastgestelde SBI-codes).

TOGS

Gedupeerde ondernemingen uit deze specifieke sectoren kunnen een eenmalige belastingvrije gift van € 4000 ontvangen, als zij verwachten gedurende de periode vanaf 16 maart 2020 tot en met 15 juni 2020 door de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19:

• een omzetverlies van ten minste € 4000 zullen realiseren, en

• ten minste € 4000 aan vaste lasten te hebben, ook na gebruik van andere door de overheid beschikbaar gestelde steunmaatregelen rond de coronacrisis.

De TOGS geldt per onderneming en niet per vestigingseenheid. De TOGS moet worden gezien als aanvulling op andere overheidsondersteuning uit het noodpakket banen en economie.

Voorwaarden

Het moet gaan om een onderneming die op peildatum 15 maart 2020 ingeschreven was in het handelsregister, met een fysieke vestiging in Nederland, onder één van de hierna genoemde opgenomen hoofdactiviteiten met bijbehorende SBI-codes.

Ondernemingen die zich na 15 maart 2020 met terugwerkende kracht hebben ingeschreven of de SBI-code hebben aangepast, komen niet in aanmerking. Alleen ondernemingen die niet in staat van faillissement verkeren en waarvoor geen verzoek tot surseance van betaling is ingediend, komen voor TOGS in aanmerking.

De TOGS is bedoeld voor ondernemingen in het midden- en kleinbedrijf (MKB), inclusief zzp’ers, omdat deze groep doorgaans het hardst getroffen wordt door omzetverlies, hoge vaste kosten heeft en weinig financiële buffer heeft. Daarom geldt als voorwaarde dat er maximaal 250 personen werkzaam mogen zijn bij de onderneming.

Verder wordt de TOGS alleen verstrekt aan ondernemingen met een vestiging buiten de woning waar zij zelf wonen (het huisadres van de eigenaar of eigenaren). Deze (vestigings)eis geldt niet voor horecaondernemingen (restaurants, cafés, fastfoodrestaurants, cafetaria’s, ijssalons, eetkramen en dergelijke, ingeschreven in het handelsregister onder de SBI-codes 56.10.1, 56.10.2 of 56.30). Bij een groot deel van deze ondernemers komt het vestigingsadres overeen met het woonadres van die ondernemer. Aangezien deze specifieke groep van ondernemers ook hoge vaste kosten heeft, is het niet wenselijk deze groep uit te sluiten. Wel moet een horecaonderneming ten minste één horecagelegenheid huren, pachten of in eigendom hebben.

De TOGS wordt niet verstrekt als de algemene de-minimisverordening (staatssteun) zich hiertegen verzet. Dat betekent dat de onderneming moet voldoen aan het zogenoemde de-minimisplafond per onderneming. Dat is een plafond van € 200.000 aan de-minimissteun per drie belastingjaren (het lopende en de twee voorafgaande belastingjaren).

Verder is van belang dat dit plafond geldt per onderneming en niet per vestiging van de onderneming. Concreet betekent dit dat de onderneming minstens € 4000 aan ruimte voor de-minimissteun moet hebben.

Overheidsbedrijven zijn uitgezonderd van de TOGS.

Aan de besteding van de TOGS door ondernemingen worden geen nadere eisen gesteld.

Aanvraag

Aanvragen kunnen worden ingediend bij de RVO vanaf 27 maart 2020 t/m 26 juni 2020 op de website www.rvo.nl/tegemoetkomingcorona. Bij de aanvraag is een eHerkenningsmiddel niveau 1 of hoger nodig of een DigiD.

Bij de aanvraag moet de onderneming met een aantal vinkjes een verklaring inleveren omtrent het omzetverlies (dus geen bewijs) of de vaste kosten en nog een aantal verklaringen over het voldoen aan de voorwaarden van de TOGS.

De RVO behandelt de aanvragen op volgorde van binnenkomst. De bedoeling is dat aanvragers die voldoen aan de voorwaarden binnen twee weken na het indienen van de aanvraag de TOGS-gift ontvangen. De beslistermijn van de RVO op de aanvraag is formeel drie weken.

Intermediairs moeten over een machtiging beschikken om de aanvraag namens hun klant te kunnen doen, maar die machtiging hoeft niet meegestuurd te worden met de aanvraag.

Controle

De RVO heeft de mogelijkheid om achteraf te toetsen of de aanvrager daadwerkelijk aan alle voorwaarden voldoet. Als dit niet het geval is, kan de TOGS-beschikking binnen vijf jaar na verstrekking daarvan ingetrokken worden of kan de hoogte worden herzien. Er volgt dan gehele of gedeeltelijke terugvordering, eventueel met verrekening van wettelijke rente.

Dit kan bijvoorbeeld wanneer de onderneming een valse verklaring over het te verwachten omzetverlies of de verwachte vaste kosten heeft aangeleverd.

Belastingvrijstelling

De eenmalige TOGS-gift is belastingvrij. Het kabinet moet de vormgeving van deze belastingvrijstelling nog bekendmaken.

Mogelijke toekomstige uitbreiding doelgroep

Naast de hierboven genoemde doelgroep worden meer sectoren direct of indirect getroffen door de gezondheidsmaatregelen van de rijksoverheid en lokale overheden. Het kabinet monitort continu de effectiviteit van de genomen overheidsmaatregelen uit het noodpakket banen en economie. Indien blijkt dat deze maatregelen niet toereikend zijn, kan in een latere fase besloten worden om meer sectoren voor een eenmalige tegemoetkoming in aanmerking te laten komen.

Bron: brief kabinet noodpakket economie en banen 17-3-2020, nr. CE-AEP/20077147; brief minister van EZK tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 27-3-2020, nr. DGBI-O/20087452; Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19, Stcrt. 2020, 19159; Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO); Rijksoverheid – Coronavirus COVID-19

4. Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo)

31 maart 2020

Door de maatregelen van het Rijk om de verspreiding van het corona-virus te beteugelen derven veel zelfstandige ondernemers noodgedwongen inkomsten. Het kabinet gaat deze groep ondersteunen, zodat zij na de coronacrisis hun bedrijf kunnen voortzetten. Het kabinet heeft daarom een tijdelijke voorziening voor drie maanden ingesteld die met terugwerkende kracht per 1 maart 2020 ingaat:

De Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo).

De Tozo wordt geënt op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) en gebaseerd op de Participatiewet, maar is formeel nog niet bekend gemaakt (de AMvB is in voorbereiding). Zelfstandigen met financiële problemen door de coronacrisis kunnen een beroep doen op de Tozo, die uitgevoerd wordt door gemeenten.

Bijstand

Ondersteuning kan met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 2020 worden aangevraagd voor:

• een aanvullende uitkering voor levensonderhoud (algemene bijstand als inkomensondersteuning), voor zaken als boodschappen en huur.

• een lening voor bedrijfskapitaal voor liquiditeitsproblemen.

Inkomensondersteuning

De inkomensondersteuning vult het inkomen aan tot het sociaal minimum. Hierbij geldt voor gehuwden en samenwonenden dat het inkomen wordt aangevuld tot een bedrag van € 1500 netto en voor alleenstaanden vanaf 21 jaar tot € 1050 netto per maand. De gebruikelijke lagere bijstandsnormen gelden voor jongeren van 18 tot 21 jaar.

Voor een echtpaar of samenwonenden (met kinderen) waarvan beide partners zelfstandige ondernemer zijn, is € 1500 netto het maximumbedrag dat wordt uitgekeerd.

De inkomensondersteuning wordt binnen vier weken na de aanvraag toegekend, in één keer voor een periode van maximaal drie maanden (1 maart 2020 tot 1 juni 2020). De inkomensondersteuning wordt maandelijks als gift uitbetaald en hoeft dus niet te worden terugbetaald. De inkomensondersteuning telt mee voor het toetsingsinkomen van de inkomensafhankelijke toeslagen als huurtoeslag en zorgtoeslag.

Lening

Zelfstandigen kunnen een lening voor bedrijfskapitaal tot maximaal € 10.157 krijgen om liquiditeitsproblemen op te lossen. Het rentepercentage is 2% en de maximale looptijd is drie jaar. Tot 1 januari 2021 is de lening aflossingsvrij. De lening wordt binnen vier weken na de aanvraag toegekend.

Voorwaarden

De Tozo bevat de volgende elementen en voorwaarden:

• geen toets op levensvatbaarheid van de onderneming. De zelfstandige moet bij de aanvraag van inkomensondersteuning verklaren dat hij verwacht dat door de coronacrisis zijn inkomen de komende drie maanden minder zal zijn dan het sociaal minimum. Wanneer dit achteraf anders blijkt te zijn, moet de zelfstandige dit uit eigen beweging doorgeven aan de gemeente. Bij de aanvraag voor een lening moet de zelfstandige verklaren en aannemelijk maken dat sprake is van liquiditeitsproblemen veroorzaakt door de coronacrisis.

• geen vermogenstoets (zoals spaargeld, eigen huis) en geen toets op het inkomen van de echtgenoot/partner.

• de eenmalige gift van € 4000 die via Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren COVID-19 (TOGS) kan worden verstrekt aan zelfstandigen wordt niet verrekend met de inkomensondersteuning.

• geen toepassing van de kostendelersnorm. Het niet toepassen van de kostendelersnorm is overigens in strijd met de Participatiewet. Het kabinet komt zo snel mogelijk met een reparatiewet.

• zelfstandigen die meer verdienen dan de bijstandsnorm of naast hun onderneming meer loon ontvangen uit een regulier dienstverband dan bijstandsnorm, krijgen geen inkomensondersteuning.

• de regeling geldt alleen voor Nederlanders (en daarmee gelijkgestelden) vanaf 18 jaar tot de AOW-leeftijd, die wonen en rechtmatig verblijven in Nederland.

• de gevestigde zelfstandige voldoet aan het urencriterium van de zelfstandigenaftrek uit de inkomstenbelasting (minimaal 1225 uur per jaar gewerkt als zelfstandige). Als nog geen jaar geleden de onderneming gestart is, dan geldt het urencriterium naar rato van het aantal maanden of weken dat is gewerkt.

• voor het bedrijf of zelfstandig beroep wordt hoofdzakelijk in Nederland uitgeoefend, voldoet aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening van het eigen bedrijf en was op 17 maart 18:45 uur ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

Directeur/grootaandeelhouder (dga)

Ook een directeur/grootaandeelhouder van een BV (dga) kan een beroep doen op de Tozo. De dga moet dan aan het urencriterium voldoen. Er moet sprake zijn van volledige zeggenschap en van het dragen van de financiële risico’s. Ook dient de dga naar waarheid te verklaren en aannemelijk maken dat zijn BV nu geen salaris kan uitbetalen.

Aanvraag voorschot

Gemeenten hebben de aanvraag voor een voorschot op de Tozo-regeling opengesteld. Dat voorschot is nodig zolang de officiële AMvB nog niet van kracht is en er daarom geen formele beschikking kan worden afgeven. De aanvraag moet digitaal worden ingediend bij de gemeente waar de zelfstandige woont en uiterlijk 31 mei 2020 zijn gedaan.

Controle

Het kabinet doet een oproep aan zelfstandigen om slechts gebruik te maken van de regeling indien dat echt nodig is. Gemeenten gaan achteraf controleren of de Tozo rechtmatig is aangevraagd en bij fraude terugvorderen met boetes. De inlichtingenplicht van de Participatiewet is onverkort van toepassing.

Tozo en NOW

De Tozo-regeling is bedoeld als ondersteuning voor de zelfstandige zelf, zowel voor de zelfstandige met personeel als voor de zzp’er. Een zelfstandige met personeel kan voor zijn loonkosten een tegemoetkoming aanvragen onder de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW).

Bron: brief kabinet noodpakket economie en banen 17-3-2020, nr. CE-AEP/20077147; brief staatssecretaris van SZW Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers 27-3-2020, nr. 020-0000046098; Kamer van Koophandel; Vereniging Nederlandse Gemeenten; Rijksoverheid – Coronavirus COVID-19.

5. Premiedifferentie WW/Wet arbeidsmarkt in balans (Wab)

26 maart 2020

30%-toets bij overwerk door coronacrisis

Sinds 1 januari betalen werkgevers, als gevolg van de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab), een lage WW-premie voor vaste contracten en een hoge WW-premie voor flexibele contracten. In die regeling is ook opgenomen dat werkgevers met terugwerkende kracht de hoge WW-premie moeten afdragen voor vaste werknemers die in een kalenderjaar meer dan 30% hebben overgewerkt.

Deze bepaling kan nu tot onbedoelde effecten leiden in sectoren waar door het coronavirus veel extra overwerk nodig is (bijvoorbeeld de zorg).

Het kabinet gaat de 30%-toets aanpassen om deze onbedoelde effecten weg te nemen. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) zal deze aanpassing, die voor kalenderjaar 2020 zal gelden, zo spoedig mogelijk uitwerken.

Coulance periode verlengd tot 1-7-2020

Werkgevers hebben op basis van een coulanceregeling van de minister van SZW tot 1 april 2020 de tijd kregen om een vaste arbeidsovereenkomst op schrift te stellen, om te voldoen aan de voorwaarden voor de lage WW-premie. Omdat het de komende weken niet voor alle werkgevers praktisch mogelijk zal zijn om aan die voorwaarde te voldoen, wordt deze coulanceperiode verlengd tot 1 juli 2020. Het coulanceregime zoals dat geldt voor werknemers die uiterlijk 31 december 2019 voor onbepaalde tijd in dienst waren, zal dus gelden tot en met 30 juni 2020.

Bron: brief kabinet noodpakket economie en banen 17-3-2020, nr. CE-AEP/20077147

6. Sociale verzekering bij wonen of werken in ander land blijft voorlopig onveranderd

26 maart 2020

Door de maatregelen die het kabinet heeft genomen om de verdere verspreiding van het coronavirus tegen te gaan zijn de werktijden en de plaats van werken voor veel mensen tijdelijk anders. Veel mensen werken vanwege de coronacrisis tijdelijk thuis. Dat kan in een ander land zijn dan waar normaal gesproken wordt gewerkt. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft aangegeven dat dit voorlopig geen gevolgen heeft voor de sociale verzekering voor iemand die normaal over de grens woont of werkt in de Europese Unie (EU), de Europese Economische Ruimte (EER) of Zwitserland. Men hoeft hiervoor verder niets te regelen.

Bron: nieuwsbericht SVB 20-3-2020

7. Versnelde aanspraak jongeren tot 27 jaar op bijstand

30 maart 2020

Gemeenten krijgen door de coronacrisis te maken met extra aanvragen voor bijstand.

Jongeren van 18 tot 27 jaar die een beroep doen op bijstand hebben formeel volgens de Participatiewet te maken met een zoektermijn van vier weken voordat een aanvraag ingediend mag worden. Gedurende die vier weken mag de gemeente geen bijstand toekennen of een voorschot verstrekken. Door het plotseling wegvallen van inkomen kunnen financiële problematiek ontstaan, terwijl ander werk of scholing door de coronacrisis op dit moment lang niet overal beschikbaar is.

Gemeenten krijgen daarom de ruimte om in de periode 1 maart 2020 tot 1 juni 2020 af te wijken van de wettelijke regels rond de verplichte zoektermijn van vier weken. Daardoor kunnen zij individueel maatwerk toepassen bij het hanteren van die zoektermijn en daarmee financiële problemen bij jongeren die plotseling door de coronacrisis zonder werk en inkomsten komen te zitten voorkomen.

Bron: brief staatssecretaris van SZW Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers 27-3-2020, nr. 020-0000046098

8. Versoepeling loonwaardebepaling bij berekening loonkostensubsidie

30 maart 2020

Uitvoerders van loonwaardebepaling mogen tot 1 juni 2020 op een versoepelde wijze de loonwaarde voor het berekenen van loonkostensubsidie uitvoeren.

De versoepeling draagt bij aan baanbehoud van mensen met een arbeidsbeperking.

Door de coronacrisis dreigen vertragingen bij de loonwaardebepaling voor het berekenen van loonkostensubsidie. Dit geldt zowel voor de Participatiewet als de Wajong. Zowel loonwaardebepalers als werknemers kunnen niet altijd op de werkplek aanwezig zijn vanwege het besmettingsrisico met het coronavirus. Voor een zorgvuldige beoordeling van de arbeidsprestatie van een werknemer is een bezoek aan de werkplek echter essentieel.

Vertraging van de loonwaardebepaling belemmert mensen met een arbeidsbeperking om aan het werk te komen. Als de forfaitaire loonkostensubsidie is ingezet, kan het zelfs betekenen dat mensen met een arbeidsbeperking hun baan kwijtraken. Forfaitaire loonkostensubsidie kan op grond van de Participatiewet voor maximaal zes maanden aan een werkgever worden verleend en binnen die zes maanden moet een loonwaardebepaling plaatsvinden.

De versoepeling betekent concreet dat interviews voor de loonwaardebepaling telefonisch mogen worden uitgevoerd voor de periode 1 maart 2020 tot 1 juni 2020. Voorwaarde daarbij is dat de telefonisch vastgestelde loonwaarde voor maximaal zes maanden geldt en dat – zodra de omstandigheden zijn genormaliseerd – zo spoedig mogelijk een werkplekbezoek plaatsvindt.

De instanties die de meeste loonwaardebepalingen uitvoeren voor gemeenten (UWV en Dariuz) hebben al besloten om de interviews telefonisch uit te voeren. Andere aanbieders mogen dat dus ook.

Daarnaast mogen gemeenten, wanneer zij de forfaitaire loonkostensubsidie hebben ingezet in de periode van 1 maart 2020 tot 1 juni 2020, de duur stilzwijgend verlengen voor een periode van maximaal zes maanden, als er geen tijdige loonwaardebepaling kan plaatsvinden. Ook hierbij geldt de voorwaarde van een zo spoedig mogelijk werkplekbezoek nadien.

Bron: brief staatssecretaris van SZW Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers 27-3-2020, nr. 020-0000046098