Vof met overheersende vennoot is schijnconstructie

Als verschillende personen een vof aangaan, waarbij maar één vennoot bevoegd is om namens de vennootschap te handelen, is volgens Rechtbank Noord-Nederland sprake van een schijnconstructie. De Belastingdienst mag dan de niet-bevoegde vennoten aanmerken als werknemers.

In de zaak voor de rechtbank was een bezorger van post en pakketten samen met vijftien anderen een vof aangegaan. De Belastingdienst weigerde hem echter als fiscaal ondernemer te erkennen, omdat de vof een schijnconstructie zou zijn. De rechter stelt dat voor de aanwezigheid van een vof of maatschap is vereist dat de vennoten samenwerken op min of meer gelijkwaardige basis. In deze situatie nam een andere vennoot echter een overheersende positie. De rechtbank komt onder meer tot dit oordeel doordat die ene vennoot:

  • als enige bevoegd was om voor de vof te handelen en te tekenen, gelden uit te geven en te ontvangen en de vof aan derden te verbinden en omgekeerd;
  • degene was die vervoersovereenkomsten sloot in plaats van de vof zelf. Bovendien verklaarden de overige vennoten inclusief de belanghebbende bezorger dat zij geen inzicht hadden in de prijsonderhandelingen;
  • toezicht hield op de andere vennoten;
  • het maandelijkse voorschot op het winstaandeel vaststelde;
  • als enige toestemming kon geven voor nieuwe vennoten om toe te treden en bevoegd was om vennoten in en uit te schrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel;
  • degene was bij wie de overige vennoten bij ziekte zich moesten melden. Deze vennoot zorgde vervolgens voor vervanging van de zieke vennoot vormde.

Daarnaast traden de overige vennoten naar buiten niet op als vennoten van de vof, maar als chauffeurs van een postbedrijf. Nu de bezorger in een ondergeschikte positie staat ten opzichte van de overheersende vennoot, kwalificeert hij niet als vennoot voor de inkomstenbelasting. De Belastingdienst heeft het voordeel dat de bezorger ontvangt van de vof terecht aangemerkt als loon uit dienstbetrekking.

Wet: art. 7A:1655 BW en art. 3.4 en 3.81 Wet IB 2001

Meer informatie: Rechtbank Noord-Nederland 7 februari 2019 (gepubliceerd 21 mei 2019), ECLI:NL:RBNN E:2019:395


Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s